Torastudie 32: Izaak - Genesis

FONTE ZOOM:
Dans Genèse 26: 2-22 gaat sur Izaak bij de Filistijnen. Hij graaft opnieuw waterbronnen meurent Abraham eerder avait gegraven en porte waren de dichtgestopt Filistijnen. Er ontstond een torsion sur putten twee rencontré de bergers van GERAR. Au cours de vente derde dans Rechovot werd niet getwist. Dans Genèse 27: 1-2 roept Izaak zijn zoon Ezau bij zich om hem de Zegen te geven.

Genèse 26: 2-22

Toen verscheen hem de Voici en zeide: Trek niet naar Egypte, woon sur les terres de het, dat Ik u zeggen zal, vertoef en dit terres als een Vreemdeling, dan zal Ik rencontré u zijn en u zegenen, veulent u en uw nageslacht zal Ik al mourir Landen geven, en Ik zal de eed gestand doen, mourir Ik heb uw vader Abraham gezworen ... Al putten de nu, mourir de knechten van zijn vader dans de dagen van zijn vader Abraham gegraven hadden, hadden de Filistijnen dichtgestopt en a rencontré aarde gevuld ... Toen twistten De éleveurs van Guérar rencontré de Izaak van éleveurs en Zeiden: l'eau Dit is van ons. En hij gaf aan die mis de naam Esek, omdat zij rencontré ourlet getwist hadden. Toen zij een andere put Groeven, twistten zij ook daarover. En hij noemde mourir Sitna. Toen brak hij vandaar op een andere Groef en vente, waarover zij niet twistten. Deze noemde hij Rechovot, en zei: Nu Heeft dé Voici ons ruimte gemaakt, zodat wij zijn vruchtbaar kunnen dans les terres het.

De volledige tekst in het Hebreeuws luidt:
ב וַיֵּרָא אֵלָיו יְהוָה וַיֹּאמֶר אַל-תֵּרֵד מִצְרָיְמָה שְׁכֹן בָּאָרֶץ אֲשֶׁר אֹמַר אֵלֶיךָ. ג גּוּר בָּאָרֶץ הַזֹּאת וְאֶהְיֶה עִמְּךָ וַאֲבָרְכֶךָּ כִּי-לְךָ וּלְזַרְעֲךָ אֶתֵּן אֶת-כָּל-הָאֲרָצֹת הָאֵל וַהֲקִמֹתִי אֶת-הַשְּׁבֻעָה אֲשֶׁר נִשְׁבַּעְתִּי לְאַבְרָהָם אָבִיךָ. ד וְהִרְבֵּיתִי אֶת-זַרְעֲךָ כְּכוֹכְבֵי הַשָּׁמַיִם וְנָתַתִּי לְזַרְעֲךָ אֵת כָּל-הָאֲרָצֹת הָאֵל וְהִתְבָּרְכוּ בְזַרְעֲךָ כֹּל גּוֹיֵי הָאָרֶץ. ה עֵקֶב אֲשֶׁר-שָׁמַע אַבְרָהָם בְּקֹלִי וַיִּשְׁמֹר מִשְׁמַרְתִּי מִצְוֹתַי חֻקּוֹתַי וְתוֹרֹתָי. ו וַיֵּשֶׁב יִצְחָק בִּגְרָר. ז וַיִּשְׁאֲלוּ אַנְשֵׁי הַמָּקוֹם לְאִשְׁתּוֹ וַיֹּאמֶר אֲחֹתִי הִוא כִּי יָרֵא לֵאמֹר אִשְׁתִּי פֶּן-יַהַרְגֻנִי אַנְשֵׁי הַמָּקוֹם עַל-רִבְקָה כִּי-טוֹבַת מַרְאֶה הִוא. ח וַיְהִי כִּי אָרְכוּ-לוֹ שָׁם הַיָּמִים וַיַּשְׁקֵף אֲבִימֶלֶךְ מֶלֶךְ פְּלִשְׁתִּים בְּעַד הַחַלּוֹן וַיַּרְא וְהִנֵּה יִצְחָק מְצַחֵק אֵת רִבְקָה אִשְׁתּוֹ. ט וַיִּקְרָא אֲבִימֶלֶךְ לְיִצְחָק וַיֹּאמֶר אַךְ הִנֵּה אִשְׁתְּךָ הִוא וְאֵיךְ אָמַרְתָּ אֲחֹתִי הִוא וַיֹּאמֶר אֵלָיו יִצְחָק כִּי אָמַרְתִּי פֶּן-אָמוּת עָלֶיהָ. י וַיֹּאמֶר אֲבִימֶלֶךְ מַה-זֹּאת עָשִׂיתָ לָּנוּ כִּמְעַט שָׁכַב אַחַד הָעָם אֶת-אִשְׁתֶּךָ וְהֵבֵאתָ עָלֵינוּ אָשָׁם. יא וַיְצַו אֲבִימֶלֶךְ אֶת-כָּל-הָעָם לֵאמֹר הַנֹּגֵעַ בָּאִישׁ הַזֶּה וּבְאִשְׁתּוֹ מוֹת יוּמָת. יב וַיִּזְרַע יִצְחָק בָּאָרֶץ הַהִוא וַיִּמְצָא בַּשָּׁנָה הַהִוא מֵאָה שְׁעָרִים וַיְבָרְכֵהוּ יְהוָה. יג וַיִּגְדַּל הָאִישׁ וַיֵּלֶךְ הָלוֹךְ וְגָדֵל עַד כִּי-גָדַל מְאֹד. יד וַיְהִי-לוֹ מִקְנֵה-צֹאן וּמִקְנֵה בָקָר וַעֲבֻדָּה רַבָּה וַיְקַנְאוּ אֹתוֹ פְּלִשְׁתִּים. טו וְכָל-הַבְּאֵרֹת אֲשֶׁר חָפְרוּ עַבְדֵי אָבִיו בִּימֵי אַבְרָהָם אָבִיו סִתְּמוּם פְּלִשְׁתִּים וַיְמַלְאוּם עָפָר. טז וַיֹּאמֶר אֲבִימֶלֶךְ אֶל-יִצְחָק לֵךְ מֵעִמָּנוּ כִּי-עָצַמְתָּ מִמֶּנּוּ מְאֹד. יז וַיֵּלֶךְ מִשָּׁם יִצְחָק וַיִּחַן בְּנַחַל-גְּרָר וַיֵּשֶׁב שָׁם. יח וַיָּשָׁב יִצְחָק וַיַּחְפֹּר אֶת-בְּאֵרֹת הַמַּיִם אֲשֶׁר חָפְרוּ בִּימֵי אַבְרָהָם אָבִיו וַיְסַתְּמוּם פְּלִשְׁתִּים אַחֲרֵי מוֹת אַבְרָהָם וַיִּקְרָא לָהֶן שֵׁמוֹת כַּשֵּׁמֹת אֲשֶׁר-קָרָא לָהֶן אָבִיו. יט וַיַּחְפְּרוּ עַבְדֵי-יִצְחָק בַּנָּחַל וַיִּמְצְאוּ-שָׁם בְּאֵר מַיִם חַיִּים. כ וַיָּרִיבוּ רֹעֵי גְרָר עִם-רֹעֵי יִצְחָק לֵאמֹר לָנוּ הַמָּיִם וַיִּקְרָא שֵׁם-הַבְּאֵר עֵשֶׂק כִּי הִתְעַשְּׂקוּ עִמּוֹ. כא וַיַּחְפְּרוּ בְּאֵר אַחֶרֶת וַיָּרִיבוּ גַּם-עָלֶיהָ וַיִּקְרָא שְׁמָהּ שִׂטְנָה. כב וַיַּעְתֵּק מִשָּׁם וַיַּחְפֹּר בְּאֵר אַחֶרֶת וְלֹא רָבוּ עָלֶיהָ וַיִּקְרָא שְׁמָהּ רְחֹבוֹת וַיֹּאמֶר כִּי-עַתָּה הִרְחִיב יְהוָה לָנוּ וּפָרִינוּ בָאָרֶץ.

Genèse 27: 1-2

Toen Izaak oud geworden était, werden zijn zo ogen verzwakt, dat hij niet zien kon. Hij Riep de Oudste zoon Ezau en zei tot ourlet: Hier ben ik. En hij Zei: Zie Toch, ik ben oud geworden, ik weet de dag van mijn dood niet.

De tekst in het Hebreeuws luidt:
וַיְהִי כִּי-זָקֵן יִצְחָק וַתִּכְהֶיןָ עֵינָיו מֵרְאֹת וַיִּקְרָא אֶת-עֵשָׂו בְּנוֹ הַגָּדֹל וַיֹּאמֶר אֵלָיו בְּנִי וַיֹּאמֶר אֵלָיו הִנֵּנִי. ב וַיֹּאמֶר הִנֵּה-נָא זָקַנְתִּי לֹא יָדַעְתִּי יוֹם מוֹתִי.

Genèse 26: 2

En de Eeuwige verscheen ourlet en zeide: daal niet naar Egypte af.

brandoffer
Dieu zei tegen ourlet: Je bent een brandoffer zonder Smet; omdat een brandoffer ongeschikt wordt als het Buiten de Tempel komt, zal jij ongeschikt worden als je uit het gaat Heilige Terre.

Genesis 26:18

En Izaak Groef nogmaals de waterbronnen .... en hij noemde ze naar de namen, mourir vader zijn hun gegeven avait.

nederigheid van Izaak
Zie de nederigheid van Izaak. Een persoon vereist een Huis en naam geeft het een; dan komt zijn Zoon, voegt er een nieuw deel aan orteil en noemt een andere naam. Izaak doet dit niet: al bronnen de mourir Abraham graaft en benoemt, hoewel zij geheel porte werden dichtgestopt de Filistijnen, porte worden Izaak opnieuw gegraven en hij geeft ze geen nieuw namen, maar handhaaft de namen mourir porte zijn vader werden gegeven.

En welke beloning bracht ourlet dat? De andere Patriarchen hadden hun namen veranderd: Abram werd Abraham; Jacob werd Israël. Izaak kreeg voor zijn geboorte de naam van Izaak Dieu en dat bleef zo.

Genesis 26:21

En hij noemde haar Sitna.

kwaadsprekers
Dit leert ons dat een er niet homme rechtvaardige est kwaadsprekers die geen heeft.

Genesis 26:22

En Groef een andere bron, en daarover twistte hommes niet.

Bronnen Tempels équivalentes
De twee eerste bronnen zinspelen op de eerste twee Tempels mourir de vijanden van Israël vernietigde. De derde bron vertegenwoordigt de Derde Tempel mourir spoedig zal worden gebouwd, mourir gevestigd zal worden zonder animositeit en strijd: Dieu dan zal onze grenzen verbreden en alle volken zullen ourlet dans eenheid dienen.

Genèse 27: 1

Het était: toen Izaak oud werd en zijn ogen te dof werden om te zien.

Doffe ogen
Van de freux van de mourir offre de vrouwen van Ezau verbrandden voor hun afgoden. Een andere Verklaring est dat toen Izaak werd gebonden op het altaar en zijn vader ourlet wenste te doden OpDAT instant de hemel zich Opende en de engelen huilden en hun tranen en zijn ogen vielen, mourir veroorzaakten dat zijn ogen dof werden. Een andere Verklaring: dit kwam om Jacob staat te stellen de zegeningen te ontvangen.

Genèse 27: 2

Hierop zeide hij: zie toch! Ik ben oud geworden.

ouders leeftijd
Rabbi Joshua ben Korchah zei: Wanneer een homme komt bij de leeftijd van zijn bij ouders De Tijd van hun dood, moet hij vijf jaar voor en vijf jaar daarna de dood vrezen. Vous souhaitez redeneerde Izak: Als ik mijn vaders jaren verkrijg, ben ik erg carte van poule. Maar ik mijn als moeders jaren Devenez fan et recevez: "Zie, ik ben oud, ik niet weet de dag van mijn dood". .

Genèse 27: 2

Ik weet niet van de dag mijn dood.

verborgen
Zeven dingen worden verborgen gehouden van de mens: van de dag zijn dood: de dag van de Verlossing, de waarheid absolue in een oordeel; des hij een levensonderhoud zal Earn, wat est in het hart van zijn buurman, wat een vrouw Draagt, en wanneer de goddeloze staat zal vallen.


Samenvatting - vragen

Om voor uzelf te controleren de u de tekst goed begrepen heeft volgt hier een aantal vragen. De antwoorden vindt u terug dans tekst bovenstaande.
  1. Waar vergelijkt Dieu Izaak mee?
  2. Waaruit blijkt de nederigheid van Izaak?
  3. Welke beloning bracht ourlet dat?
  4. Waar verwijzen de drie bronnen naar?
  5. Waarom werden de ogen van Izaak dof?
  6. Welke zeven dingen worden voor de mens verborgen gehouden?

VOIR AUSSI:
  1.  
  2.  
  3.  
Sans commentaires

Laisser un commentaire

Code De Sécurité